Tekst  A+  A-

Aanpassing Warenwetbesluit Meel en brood; zoutnorm geldt voor alle broodsoorten

12-09-2017

Op 1 oktober 2017 zal het Warenwetbesluit Meel en brood op een aantal punten wijzigen. De grootste impact is de wijziging van de definitie van brood. Door deze wijziging zullen vrijwel alle broodsoorten aan de wettelijke zoutnorm van 1,8% zout op drogestof moeten voldoen. Bedrijven hebben tot 1 oktober 2018 de tijd om de nieuwe regels te implementeren.

Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is sinds eind 2014 in gesprek met de NVB, NBOV, VBZ, Nebafa en NBC over aanpassing van het Warenwetbesluit Meel en brood. De belangrijkste aanleiding is dat de gemiddelde Nederlander nog steeds teveel zout binnen krijgt. Het ministerie van VWS wil daarom dat de wettelijke zoutnorm van toepassing wordt op alle producten die door de consument als brood worden beschouwd en die (vrijwel) dagelijks worden geconsumeerd als belangrijk onderdeel van de basisvoeding. Dit bleek verder een goede aanleiding om het Warenwetbesluit te actualiseren en de transparantie te verhogen.

Hieronder volgt een samenvatting van de wijzigingen die gevolgen hebben voor de dagelijkse praktijk:

1. Zoutnorm van toepassing op alle broodsoorten
Of een product voor de wet brood is - en dus moet voldoen aan de zoutnorm - wordt bepaald door de receptuur, in combinatie met de definitie van brood. Met de nieuwe regels wordt dit duidelijker geformuleerd.

Tot de groep van kenmerkende bestanddelen van brood behoren straks ook andere rijsmiddelen dan bakkersgist of zuurdesem (roggebrood hoeft geen rijsmiddel te bevatten) en glutenvrije graanbestanddelen. Broodverbetermiddelen behoren niet meer tot de kenmerkende bestanddelen van brood, maar mogen nog wel als ingrediënt in brood worden gebruikt. Praktisch gezien betekent dit dat alle (dagelijks gegeten) broodsoorten moeten voldoen aan de wettelijke zoutnorm van 1,8% zout op drogestof. Dit is inclusief glutenvrij brood, roggebrood, stokbrood, kleinbrood en brood met andere rijsmiddelen dan bakkersgist of zuurdeeg (bijvoorbeeld bakpoeder).

De regeling geldt niet voor brood waaraan zoutbevattende ingrediënten zijn toegevoegd, onder voorwaarde dat de consument dit brood niet ervaart als bestemd voor dagelijks gebruik. Voorbeelden van zoutbevattende ingrediënten zijn olijven, spek, kaas en (zon)gedroogde tomaten. Kaasbrood, spek-uienbrood, ciabatta olijven en focaccia zijn voorbeelden van broodsoorten die geen onderdeel vormen van de basisvoeding en dus niet bestemd zijn voor dagelijks gebruik.

2. Wijziging definitie volkoren
De huidige definitie van volkoren omschrijft dat de verschillende onderdelen van de graankorrel in hun natuurlijke verhouding toegevoegd moeten worden. In de nieuwe wettelijke definitie is duidelijker omschreven om welke onderdelen het gaat. Namelijk de zetmeelrijke kern, kiem en zemelen. Het gaat dus om de bestanddelen na verwijdering van niet-eetbare delen, zoals het kaf en de schil.

3. Droge Stof regels voor kleinbrood komen te vervallen
Kleinbroodsoorten worden meestal per stuk verkocht en benamingen zoals fluit of dubbele kadet zijn verouderd. In de nieuwe regeling mogen alle soorten kleinbrood per stuk of aantal stuks verkocht worden, ook als ze worden aangeduid als bolletje, broodje, kadetje, puntje of mini. De aan deze aanduidingen gekoppelde normen voor drogestof komen te vervallen.

4. Norm vruchtgehalte voor krentenbollen en rozijnenbollen
Wanneer het woord ‘krenten’ of ‘rozijnen’ onderdeel uitmaakt van de naam van brood moet het gehalte aan krenten respectievelijk rozijnen ten minste 30% bedragen. Hiermee is het vruchtengehalte voor deze producten gelijkgetrokken aan de norm voor krenten- en rozijnenbrood. Is een brood voor tenminste 30% gevuld met een mengsel van rozijnen en krenten, dan mag het product een rozijnen-krentenbrood of een krenten-rozijnenbrood worden genoemd, waarbij de werkelijke percentages van de aanwezige rozijnen en krenten op voorverpakte producten worden gekwid.